Ik weet er niets meer van hoe ik geboren werd. Maar aan de verhalen hoor ik dat het ernstig geweest moet zijn, moeder was bijna dood. Nog elke dag heb ik er last van dat ik mijn linkerarm niet kan gebruiken. Het was in Syrië, we waren destijds al gevlucht van ons huis en woonden in een kamp. Assad was al een tijdje aan de macht, maar vader wilde niet voor hem vechten. Voor hem vechten betekende het vermoorden van je eigen volk. Vanaf toen waren we ontheemd en trokken van tentje naar tentje. Het was er erg slecht, er was geen goed voedsel en drinkwater en gezondheidszorg was er niet. Een vriendin van mama hielp bij de bevalling, maar ze trok te hard aan mijn arm. Daar heb ik nu nog last van.
Nu woon ik al jaren in Libanon, het enige land waar we makkelijk heen konden. Veel Syriërs trokken naar Libanon. Je mocht je tent op de grond van een landheer zetten in ruil voor werk. Burger van Libanon werd je nooit, je was en bleef illegaal. Mama werkte. Ze werkte dag in dag uit voor minder dan 1 dollar per dag, al meer dan 12 jaar. Het werk was zwaar, zo zwaar dat mama de laaste tijd een depressie had. Ook had ze pijn, overal, in haar rug, knieën en handen. Rondkomen van dat geld kon niet, maar op wonderlijke manieren hadden ze steeds wel iets te eten, soms brachten mensen uit het centrum een pak rijst.
Beter dan in Syrië is het hier niet – nou ja, je hoort hier geen bommen en je moet niet constant opletten of je beschoten wordt. Terwijl ik langs de plastic tentjes loop en de zure geur inadem trekt er een lach over mijn gezicht. Want ik ben gelukkig met mijn baan in het centrum van Pastor Mosa, een Koreaanse man die hier een centrum begon 5 jaar geleden. We vonden hem in het begin vreemd, maar hij vertelde onze buurman te willen zijn. Ik was bijzonder geinteresseerd in de verhalen, net als een aantal van mijn vriendinnen. Hij nam ons in “dienst”, voor een klein bedrag. Hij vertelde vaak dat hij verlangde dat God ons ging gebruiken; “op een dag gaan jullie terug naar Syrië.” Veel meiden waren jaloers op me, de meeste kinderen vanaf 12 werkten mee op het veld. De landeigenaar wilde dat ook, minimaal 5 leden van de familie moesten werken. Maar ik dus niet, en 9 vriendinnen van mij ook niet. In het begin mocht ik niet naar het centrum, ze hadden het daar over Jezus, maar het feit dat ik een beetje betaald kreeg maakte het goed.
Waar mijn vader is weet ik niet, op een dag werd hij meegenomen door het Syrische leger. Mijn moeder zorgt al tijden alleen voor het gezin. Mijn broer, Hamoud is er niet mee eens dat ik bij de pastor werk. Hij verteld namelijk iedereen van Jezus. Jezus die zonden vergeeft, Jezus die geneest, Jezus die harten rein maakt. Ik denk dat hij het eigenlijk niet erg vind, maar hij schaamt zich voor mij en staat onder grote druk.
Vandaag heb ik weer een hele dag gewerkt. Maar hard werken is het niet, ’s ochtends beginnen we met gebed en lezen we de Bijbel. Ook krijg ik eten. Dolgelukkig ben ik daarmee, want er is thuis altijd tekort. Je moet maar net zien dat Hammoud meegenomen wordt voor dagarbeid in de stad. Meestal staat hij de hele dag in de brandende zon op het plein te wachten… op niks eigenlijk. Een maand geleden was hij ontvoerd door een Libanees, hij kwam vol blauwe plekken thuis. Dat doen Libanezen vaker, ze zijn de Syriërs zat. Hun economie is al zo slecht en ze zeggen dat Syriërs hun eten opeten. De laatste tijd komen er ook steeds groepen van het leger om mensen terug uit te zetten naar Syrië. Hamoud was niet behandeld. Een dokter is er niet in het kamp en naar en het ziekenhuis is niet voor Syriërs. Nooit begreep ik dat… we zijn toch allemaal mensen? Waarom mogen wij dan niet naar school en naar de dokter? Waarom hebben wij geen normale huizen en goed drinkwater en eten? Maar ik accepteer het, al hoe wel ik jaloers ben en ook wel graag uitgehuwelijkt wil worden aan iemand in Frankrijk. Daar was het goed en mocht je naar school. Maar ik was incompleet, door mijn arm. Ik weet niet of ik ooit zou trouwen. Heel erg vond ik het ook niet, veel vriendinnen waren snel zwanger, meestal als ze 14 of 15 waren. De mannen waren ook lang niet altijd lief en sloegen hun vrouwen vaak. Maar alles wende. We mochten niet klagen.
Dichtbij de tent gekomen rook ik de sterke urinegeur van de buren, hun gat in de grond was niet goed gemaakt… Ik hoorde ook veel stemmen druk discussiëren. Binnengekomen in de tent zag ze direct wat er was, er zaten 4 Imaams om haar broer en moeder heen, onbekende gezichten, behalve één. Ze staarden allen naar haar. Hamoud begon mij te slaan, iets wat hij overigens vaker deed. Ze zag de wanhopige ogen van haar moeder. “Hamoud hou op. De imaams denken dat je werkelijk in Jezus gelooft, klopt dat? Ze zeggen dat het centrum een slechte invloed heeft. Ze proberen tegen veel vrouwen in het kamp over Jezus te vertellen. Zelfs op school. Je werkt toch alleen in het centrum maar doet toch niet echt mee?”
De ogen van haar moeder smeekten haar om te zeggen dat ze niet meedeed. Ze zag de tweestrijd in de ogen van Hamoud, het was duidelijk dat hij onder druk stond. Als oudste broer was hij verantwoordelijk. Ze zou iedereen in gevaar brengen, de kosten van de grond waar de tent stond zouden nog hoger worden. Ze zouden omkomen. “Nee, ik doe niet mee.” Ze loog. De mannen leken tevreden en gingen weg. Één van de mannen vroeg haar een soort water te drinken waar een stuk papier in dreef – dit soort papieren had ze vaker gezien. Het bevatte een onduidelijke spreuk en werd voor veel geld verkocht. Ze wist dat het fout was, de pastor waarschuwde hier vaak voor en zei dat het duivels was. Ze dronk, huilend en voelde direct een schrijnende pijn vanbinnen. Ze rende de andere kant op naar buiten, tot ze niet meer kon. Toen viel ze op haar knieën en ze huilde. “Jezus, vergeef me.” Ik dacht aan het verhaal van Petrus en beloofde Jezus nooit meer te verloochenen, maar wist dat het mijn dood kon betekenen. Ik trok mijn hoofddoek recht en liep terug richting het kamp.
*Dit verhaal is een samenvoeging van meerdere waargebeurde verhalen van mensen in het kamp. Wegens veiligheidsredenen zijn namen gefingeerd.